Winterse wandelingen in een bos zijn voor mij genietmomenten. Denk eens aan de combinatie winter en bos, dan doemt het beeld op van dode bladeren en laatste paddenstoelen. En misschien ook wel die typische weeïge geuren van vocht en verterende plantenresten. Het zijn de bedorven resten van het afgelopen zomer- en herfstseizoen.
Weer wat geleerd. Een tijdje geleden kwam ik tijdens een winterse wandeling een IVN’er tegen. “Heb je die wilgenroosjes gezien?”. Wilgenroosjes? Ik verklaarde haar voor gek: “dat zijn toch die typische zomerbloeiers? Met van die lange roze bloementrossen?” Maar zij bedoelde de woekeringen die je soms ziet in de toppen van takken van knot- en schietwilgen. Ik kijken en ja hoor, het viel me direct op hoe vaak ze voorkomen. Eigenlijk schaamde ik me kapot dat deze mij als ervaren wilgenknotter nooit eerder opgevallen zijn.
Ogen dicht en probeer eens een typisch Nederlands landschap voor te stellen. Grote kans dat daar knotwilgen in voorkomen. De knotwilg is immers het icoon van het Hollandse landschap. In de winterlandschappen van de 16e-eeuwse schilder Pieter Bruegel komen al knotwilgen voor, Vincent van Gogh schilderde ze in zijn Brabantse en later ook in zijn Zuid-Franse periode in zijn bekende grillige stijl.